Skip to main content

2.1 Het Excel-werkvenster

Loading.Het Excel-scherm, met name het lint, ziet er uit als de meeste andere Office-programma’s, zoals hiervoor beschreven, maar er zijn ook enkele typische Excel-onderdelen.

2.1.1 Werkblad (worksheet)

Het werkblad is in feite je werkoppervlak. Het beslaat dan ook het grootste deel van je scherm.

In een werkblad van Excel staan heel veel cellen. Je kunt in een cel tekst, getallen of formules invoeren. Iedere cel in een werkblad is uniek en krijgt een eigen celadres, dit is een letter-/cijfercombinatie (bijvoorbeeld A1). Met de letters (van A t/m XFD) worden de kolommen (16.384) aangeduid en met de cijfers (van 1 t/m 1.048.576) de rijen. Je ziet hiervan (gelukkig) maar een klein gedeelte. In totaal zijn er 17.179.869.184 cellen per werkblad. Door met de schuifbalken (horizontaal en verticaal) te schuiven kun je de rest van je werkblad zichtbaar maken.

2.1.2 Schuifbalken (Scroll bars)

Er zijn twee schuifbalken: de horizontale die onderaan het scherm staat en de verticale die rechts in het scherm staat. De werking van de schuifbalken komt later in dit boek aan de orde.

2.1.3 Formulebalk (formula bar)

Tussen het lint en het werkblad bevindt zich de Formulebalk (Formula Bar). Als je gegevens invoert in een cel op het werkblad, verschijnen die gegevens ook in de formulebalk, zoals hieronder de tekst Omzet 2026.

Bij ingewikkelde formules of veel tekst over meerdere regels kun je de formulebalk ook uitklappen, zodat er meer regels zichtbaar worden.

  • Klik helemaal rechts in de formulebalk op het pijltje voor het in- of uitklappen.

2.1.4 Werkbladen

Standaard bestaat een nieuwe werkmap in Excel uit één werkblad. Er kunnen meer werkbladen in één werkmap zitten. Standaard zie je de gegevens van één werkblad; de andere werkbladen zijn verborgen achter het werkblad dat bovenop ligt. Onder het werkblad bevinden zich de zogenaamde bladtabs.

De werkbladen liggen bovenop elkaar. Elk werkblad heeft een bladtab, waarmee je dat werkblad bovenop kunt leggen. Met andere woorden: je maakt dat werkblad dan actief. De tab van het actieve werkblad is wit en zijn naam is

vetgedrukt en groen onderlijnd:

  • Klik op de tab van een werkblad om dit werkblad bovenop te leggen en zo de inhoud ervan weer te geven.
    Let op
    De termen ‘werkmap (book)’ en ‘werkblad (sheet)’ worden weleens verward met elkaar. Een werkmap is het gehele bestand, het werkblad is daar een onderdeel van. Een werkmap kan uit één werkblad bestaan, maar ook uit veel meer werkbladen.

2.1.5 Snelmenu

Het snelmenu roep je op wanneer je met de rechtermuisknop ergens op het scherm klikt. Dit snelmenu is niet overal hetzelfde. Afhankelijk van de plaats op het scherm waar je op dat moment rechtsklikt verschijnt menu met snelkeuzes.

  • Klik met de rechtermuisknop op een lege cel om het snelmenu weer te geven:

Boven het snelmenu verschijnt ook een soort Miniwerkbalk (Minitoolbar), hiermee kun je de cel, waarop je met de rechtermuisknop klikte, snel van opmaak voorzien.

  • Kies uit het snelmenu de opdracht die je nodig hebt.
  • Klik buiten het snelmenu als je geen opdracht nodig hebt.

2.1.6 Statusbalk (status bar)

Helemaal onderin het scherm vind je de statusbalk.

Rechts in de statusbalk kun je met de drie pictogrammen de weergave van het werkblad wijzigen.

Je kunt hier kiezen voor de knop [Normaal] ([Normal]), [Pagina-Indeling] ([Page Layout]) en [Pagina-eindevoorbeeld] ([Page Break Preview]).

Je kunt ook wisselen tussen deze weergaven op het tabblad Beeld (View) met knoppen in de groep Werkmapweergaven (Workbook Views).

2.1.7 Normale weergave (Normal view)

In de normale weergave zie je je werkblad op de standaardmanier met alle kolommen en rijen aaneengesloten naast en boven elkaar.

2.1.8 Pagina-indeling (Page Layout)

In de weergave Pagina-indeling (Page Layout) zie je je werkblad bijna zoals dit op papier te zien zal zijn. Je ziet de randen van het papier en de eventuele kop- en voetteksten in het document.

2.1.9 Pagina-eindevoorbeeld (Page Break Preview)

In de weergave Pagina-eindevoorbeeld (Page Break Preview) zie je op een overzichtelijke manier hoe je werkblad over de verschillende pagina’s van je document verdeeld is. Hier wordt tevens aangegeven wat het afdrukbereik is. de grijze cellen zullen niet worden afgedrukt.

In hoofdstuk 9 - Pagina-indeling en afdrukken wordt meer uitgelegd over hoe je de verschillende weergaven kunt gebruiken.

2.1.10 In- en uitzoomen

Tot slot vind je rechts in de statusbalk ook een schuifbalkje waarmee je eenvoudig op je werkblad kunt in- en uitzoomen.

  • Klik op de regelaar van de schuifbalkje en schuif deze naar rechts of links om in- of uit te zoomen op het werkblad.

Je kunt ook zelf een zoompercentage opgeven.

  • Klik op het percentage naast het schuifbalkje.

  • Selecteer in het menu het gewenste zoompercentage of type het in bij Aangepast (Customized) en klik op [OK].