Skip to main content

6.3 Functies

Excel heeft een uitgebreide hoeveelheid functies aan boord. Functies zijn als het ware voorgeprogrammeerde berekeningen. Met een functie kun je sneller berekeningen uitvoeren, dan door alleen maar gebruik te maken van de standaard symbolen voor optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

Stel je voor dat je honderd getallen die onder elkaar in een kolom staan wilt optellen. Je formule zou er dan zo uit kunnen zien: =A2+A3+A4+A5 ... Niet handig natuurlijk.

Of je wilt het gemiddelde van drie getallen berekenen. Je moet dan een formule maken die de getallen optelt en daarna deelt door drie: =(A1+A2+A3)/3. Kun je je voorstellen wat er moet gebeuren als je een getal zou toevoegen aan de berekening? Precies: je moet dan handmatig je formule aanpassen. Je zult begrijpen dat handmatige formules niet altijd handig zijn en soms zelfs fouten in de hand werken.

Open het voorbeeldbestand H6-Functies om de voorbeelden hierna te volgen.

6.3.1 Opbouw van een functie

Een functie bestaat altijd uit twee componenten: de functienaam en de argumenten waarop en waarmee een functie wordt toegepast.

Functienaam

Hiermee wordt kort beschreven wat de functie doet. Zo zal de functie =SOM (=SUM) de inhoud van cellen optellen, de functie =PRODUCT zal de inhoud van cellen vermenigvuldigen, de functie =GEMIDDELDE (=AVERAGE) berekent het gemiddelde van een aantal cellen en de functie =AFRONDEN (=ROUND) rond een getal af op het opgegeven aantal decimalen.

Argumenten

De argumenten geven aan op welke cellen de berekening moet worden gebaseerd. Een argument kan verwijzen naar één (bijvoorbeedl A1) of meer cellen (bijvoorbeeld A1:A10). Als een functie meer argumenten gebruikt, worden deze van elkaar gescheiden door middel van een puntkomma (;). Dat laatste hangt overigens af van de regionale instellingen in Windows! In een Engelse versie is dat vaak een komma. Je kunt dit controleren en eventueel aanpassen bij het Lijstscheidingsteken (List separator).

6.3.2 Een functie invoegen

De meest gebruikte functies kun je rechtstreeks via het lint invoegen.

  • Klik in het tabblad Start (Home) in de groep Bewerken (Editing) op de lijstpijl van de knop [Som] )[Sum]).

Een aantal veelgebruikte functies worden weergegeven:

  • Voor de Som-functie klik je direct op de knop of nog handiger: gebruik de toetscombinatie <Alt =>.

De direct beschikbare functies in de lijst en nog een aantal andere veelgebruikte functies worden verderop in dit hoofdstuk uitgelegd.

Er zijn meer manieren om een functie in te voegen:

  • Klik op de knop fx (functie invoegen) in de formulebalk:

Het dialoogvenster Functie invoegen (Insert Function) wordt weergegeven:

  • De fx-knop vind je ook in het tabblad Formules (Formulas) in de groep Functiebibliotheek (Function Library):

  • Via de knoppen met categoriën in het tabblad Formules (Formulas):

  • Door in de cel de naam van de formule in te typen, uiteraard voorafgegaan door het =-teken. Excel zal een lijst met functies tonen die aangepast wordt op basis van de letters die je intypt.

Is de juiste functie geselecteert, druk dan eerst op de <Tab>-toets en vervolgens in de formulebalk op de fx-knop.

Het dialoogvenster Functieargumenten (Function Arguments) wordt weergegeven:

Hierin kun je vervolgens de benodigde argumenten invullen en de functie toepassen door op [OK] te klikken.

Voor elk argument is een invoervak. Het invoervak met vette tekst ervoor betekent dat dit argument vereist is en dat dit verplicht moet worden ingevuld.

Wil je meer weten over een functie klik dan eens linksonder in het venster op de link Help informatie over deze functie (Help on this function). Hiermee komt je op de website van Microsoft Ondersteuning (Support), daar wordt uitgebreid uitgelegd waar de functie voor dient, hoe deze werkt en soms is er een video met een voorbeeld van de functie.