Skip to main content

6.4 Veelgebruikte functies

Er zijn een aantal functies die in Excel veel gebruikt worden. Dit zijn bijvoorbeeld de functies =SOM (=SUM), =GEMIDDELDE (=AVERAGE), =AANTAL (=COUNT), =MIN en =MAX. Dit zijn de functies die je ziet als je op de lijstpijl van de knop [AutoSom] ([AutoSum]) klikt.

=SOM (=SUM)

De functie =SOM (=SUM) telt de inhoud van getallen of cellen uit een bereik bij elkaar op.

Beschrijving van functie en argumenten

=SOM(getal1;getal2;…)

=SUM(number1;number2;…)

Argument Betekenis
getal1 (number1) Het getal of celbereik dat je wilt optellen.
getal2 (number2) Biedt de mogelijkheid om meer getallen of celbereiken te gebruiken.

Bij deze functie kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • In het bereik A1:D1 staat een aantal getallen.
  • Met de functie =SOM(A1:D1) (=SUM(A1:D1)) worden alle cellen uit het bereik bij elkaar opgeteld.
  • Het resultaat van de functie (95) komt in E1 te staan.

Er zijn verschillende manieren om een functie in te voegen en het bereik (of meerdere bereiken) te selecteren. Het maken van selecties is al eerder uitgelegd en geoefend. Nu ga je deze technieken gebruiken en combineren met functies.

We leggen de algemene werking uit met de som-functie maar bij andere functies werkt het ongeveer hetzelfde.

Het uitgangspunt van de som-functie is dat je de cel waar je de uitkomst wilt hebben eerst selecteert. Vervolgens kies je de som-functie. Excel zal waar dat mogelijk is cellen selecteren die vervolgens opgeteld worden. Dit kun je aanpassen naar één of meer selecties die jij wilt optellen. Excel kijkt altijd eerst boven en vervolgens naar links bij het bepalen van het bereik.

Je kunt ook zelf eerst een selectie maken van cellen die je wilt optellen. Excel zal het resultaat dan in de cel eronder of ernaast zetten, afhankelijk van of je cellen onder elkaar of naast elkaar selecteert.

In de voorbeelden hierna gebruiken we de sneltoets <Alt => om de som-functie in te voegen.

Voorbeeld 1

  • Cel A8 is geselecteerd en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft de getallen erboven geselecteerd als bereik.
  • Met <Ctrl Enter> is de berekening toegepast.

Voorbeeld 2

  • Cel E1 is geselecteerd en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft de getallen ernaast geselecteerd als bereik.
  • Met <Ctrl Enter> is de berekening toegepast.

Voorbeeld 3

  • Het celbereik A1:A7 is geselecteerd en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft het resultaat in de cel eronder geplaatst.

Voorbeeld 4

  • Het celbereik A1:D1 is geselecteerd en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft het resultaat in de cel ernaast geplaatst.

Voorbeeld 5

  • Het celbereik A1:E8 is geselecteerd en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft het resultaat in de cellen ernaast en eronder geplaatst.

Voorbeeld 6

Maak je van te voren meerdere slimme selecties dan kun je zo heel snel je functies invoegen.

  • Er is een meervoudige selectie gemaakt van de celbereiken C14:F19 en C22:F27 en de som-functie is ingevoegd.
  • Excel heeft het resultaat voor beide bereiken tegelijk in de cellen ernaast en eronder geplaatst.

=GEMIDDELDE (=AVERAGE)

De functie =GEMIDDELDE (=AVERAGE) berekent het rekenkundig gemiddelde van cellen uit een bereik.

Beschrijving van functie en argumenten

=GEMIDDELDE(getal1;getal2;…)

=AVERAGE(number1;number2;…)

Argument Betekenis
getal1 (number1) Het getal of celbereik waarvan je het gemiddelde wilt berekenen.
getal2 (number2) Biedt de mogelijkheid om meer getallen of celbereiken te gebruiken.

Er kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • Het celbereik A1:D1 is geselecteerd.
  • Met de functie =GEMIDDELDE(A1:D1) (=AVERAGE(A1:D1)) wordt het gemiddelde van alle cellen uit het bereik berekend.
  • Het resultaat (23,75) staat in E1.

=MAX (=MAX)

De functie =MAX (=MAX) geeft de hoogste waarde uit een bereik weer.

Beschrijving van functie en argumenten

=MAX(getal1;getal2;…)

=MAX(number1;number2;…)

Argument Betekenis
getal1 (number1) Het getal of celbereik waarvan je de hoogste waarde wilt weergeven.
getal2 (number2) Biedt de mogelijkheid om meer getallen of celbereiken te gebruiken.

Er kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • Met de functie =MAX(A1:D7) (=MAX(A1:D7)) wordt in cel F8 de hoogste waarde uit het bereik A1:D7 weergegeven.
  • Het resultaat van de functie is 29.

=MIN (=MIN)

De functie =MIN (=MIN) geeft de laagste waarde van een bereik weer.

Beschrijving van functie en argumenten

=MIN(getal1;getal2;…)

=MIN(number1;number2;…)

Argument Betekenis
getal1 (number1) Het getal of celbereik waarvan je de laagste waarde wilt weergeven.
getal2 (number2) Biedt de mogelijkheid om meer getallen of celbereiken te gebruiken.

Er kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • Met de functie =MIN(A1:D7) (=MIN(A1:D7)) wordt in cel F8 de laagste waarde uit het bereik A1:D7 weergegeven.
  • Het resultaat van de functie is 10.

=AANTAL (=COUNT)

De functie =AANTAL (=COUNT) telt het aantal cellen dat gevuld is met numerieke waarden.

Let op

In de lijstpijl van de knop [AutoSom] ([AutoSum]) lijkt het alsof de functie Aantal getallen (Count numbers) heet, maar, als je in de formulebalk kijkt, dan zie je dat het de functie =AANTAL (=COUNT) is.

Beschrijving van functie en argumenten

=AANTAL(waarde1;waarde2;…)

=COUNT(value1;value2;…)

Argument Betekenis
waarde1 (value1) Een celverwijzing of bereik waarin je getallen wilt tellen.
waarde2 (value2) Biedt de mogelijkheid om meer celverwijzingen of bereiken te gebruiken.

Er kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • Met de functie =AANTAL(A1:D7) (=COUNT(A1:D7)) wordt in cel F8 het aantal cellen met een getal uit het bereik A1:D7 weergegeven.
  • Het resultaat van de functie is 21.

=AANTALARG (=COUNTA)

De functie =AANTALARG (=COUNTA) telt het aantal niet-lege cellen.

Beschrijving van functie en argumenten

=AANTALARG(waarde1;waarde2;…)

=COUNTA(value1;value2;…)

Argument Betekenis
waarde1 (value1) Een celverwijzing of bereik waarin je het aantal niet-lege cellen wilt tellen.
waarde2 (value2) Biedt de mogelijkheid om meer celverwijzingen of bereiken te gebruiken.

Er kunnen maximaal 255 argumenten worden gebruikt.

Voorbeeld

  • Met de functie =AANTALARG(A1:D7) (=COUNTA(A1:D7)) wordt in cel F8 het aantal niet-lege cellen uit het bereik A1:D7 weergegeven.
  • Het resultaat van de functie is 25 (de cellen A6, C6 en D7 zijn leeg).